Te koop aangeboden, privé collectie, authentieke nette Scheveningse klederdracht, dus gedragen en niet onberispelijk schoon!


In vroeger jaren kende men geen handtas. Onder de overrok, waarin aan de zijkant een opening (in feite een spleet) was aangebracht, droeg men een witte zak. Deze was met een band om het lichaam gebonden. Via deze spleet of het zogenaamde snirsgat kon men bij en ín deze zak komen. Men droeg daarin de portemonnee, de zakdoek, sleutels en soortgelijke kleine attributen. Authentiek/oud 7,50
Voor wat mantels betreft, heb ik graag dat ze gehaald worden! (op Scheveningen)

SET AANKOOP
ONDERGOED
4 samen
35,00
Jaks en mutsen zijn helaas uitverkocht!
HELE MOOIE SCHEVENINGSE POP IN KLEDERDRACHT IN VITRINE

De Scheveningse klederdracht kent een betrekkelijk lange traditie. Reeds in het midden van de 17de eeuw treft men een schriftelijke vermelding aan van een ‘silver haerijser’. Deze hoofdtooi blijkt haar naam niet te hebben verloren, daar men te Scheveningen nog steeds spreekt van een ‘íjzer’ wanneer het gaat om de hoofdbedekking van een klederdrachtdragende Scheveningse vrouw. Het dragen van klederdracht raakte voor jonge vrouwen na de Tweede Wereldoorlog uit de mode; daarnaast gingen oudere klederdrachtdragende vrouwen steeds meer over op de algemene dames- of burgerkleding. Sindsdien kwamen er plaatselijk aan de onderzijde geen klederdrachtdragende vrouwen meer bij en vielen aan de bovenzijde meer en meer vrouwen af, hetzij door overlijden hetzij door een overschakeling op de – plaatselijk zo genoemde – burgerkleding. Een Scheveningse vrouw droeg als regel klederdracht. Wanneer ze geen klederdracht droeg werd ze aangeduid als ‘een hoed dragend’, ongeacht of ze al dan niet in werkelijkheid een hoed droeg. De plaatselijke aanduiding luidde of: ‘ze dreegd’n êzer’ of: ‘ze dreegd’n ‘oed’. Opvallend aan de Scheveningse dracht zijn in de eerste plaats de grote geplooide schouderdoeken, die over het jak heen worden gedragen. De kleuren zijn meestal in pasteltinten: lichtblauw, zeegroen, zacht lila. De randen zijn versierd met geknoopte franjes. Het oorijzer of hoofdijzer bestaat uit een lange, brede zilveren band, aan de bovenkant versierd met ovale gouden boeken van filigraanwerk. Daaroverheen wordt een zakvormige “hul” gedragen van kant of batist.
DRACHT ALGEMEEN
De specifieke delen van de klederdracht van een Scheveningse vrouw zijn: de onderrok, de bovenrok, het schort, het jak(je), de (omslag)doek, de schoudermantel en het hoofdijzer. Bij de kleding worden zwarte schoenen en zwarte kousen of panties gedragen. Bij de toenmalige werkkleding waren de omslagdoek, de schoudermantel en het hoofdijzer in de meeste gevallen niet aan de orde. De werkkleding werd voornamelijk binnenshuis of rond het huis gedragen, reden waarom de zojuist gemelde kledingstukken niet nodig waren. Een uitzondering daarop vormden de boetsters, vrouwen die ooit de haringnetten repareerden. Een beknopt overzicht van de kledingstukken:
ROK De bovenrok reikt tot op de schoenen en ze is zwart. Aan de onderzijde is ze afgezoomd met een band dat bezemband wordt genoemd vanwege zijn structuur en aanzien. In principe bestaat er geen verschil tussen het aanzien van een doordeweekse en een zondagse bovenrok; hoogstens geven de gebruikte stoffen een verschil aan.
ONDERROK Onder de bovenrok wordt een witte onderrok gedragen; deze heeft bijna de lengte van de bovenrok. Een onderrok heeft aan de onderzijde een zogeheten feston – een sierrand – als afwerking. Zondagse en doordeweekse onderrokken wijken onderling niet af.
SCHORT Het schort heeft niet de functie zoals men deze in algemene zin kent. Het is zuiver aan te merken als een kledingstuk. Een schort wordt altijd gedragen over de reeds genoemde bovenrok. Het doordeweekse schort wijkt af van het zondagse; het eerste heeft een blauw of blauwgrijs streepjespatroon terwijl het zondagse schort glanzend zwart is. Het zondagse schort is aan de beide verticale zijden afgebiesd met een smalle witte strook.
JAKJE Het jak(je) komt overeen met een nauwsluitende, kraagloze bloes met een ronde hals.De lange mouwen zijn smal toelopend en nauwsluitend aan de pols. Voor de toenmalige werkdracht kende men een jak met een korte mouw; de blauwgrijzige stof die voor deze werkkleding werd gebruikt was ‘zusterlinnen’ geheten. In de daagse, en met name de zondagse, jakjes komen voor het eerst kleuren naar voren. Deze zijn in het algemeen pastel en niet schreeuwend van opmaak. Bij een rouwdracht is het jakje zwart. Meer bemiddelde vrouwen droegen soms een jakje van gebloemde stof, dat ‘baskerlijf’werd genoemd.
OMSLAGDOEK kortweg de doek genaamd, is vierkant van vorm met zijden die een lengte en een breedte hebben van omstreeks 1,20 meter. Deze zijden zijn alle afgebiesd met een franje. Ook bij de doeken zijn de kleuren pastel en veelal in harmonie met de kleuren van de jakjes. Een doek wordt tot een driehoek gevouwen en vervolgens om de schouders gedrapeerd en ingespeld volgens traditionele, vaste regels. Bij rouw is de doek eveneens zwart.
SCHOUDERMANTEL Plaatselijk ‘schoermantel’ geheten – komt overeen met een mouwloze cape. Ze is cirkelvormig van model. In de mantel is een ronde hals uitgespaard; de beide uiteinden van het halsgedeelte zijn respectievelijk voorzien van een haak en een oog zodat de mantel (uitsluitend) aan de hals wordt gesloten. Een dergelijke mantel wordt zowel door haar eigen zwaarte als door de armen van de draagster op haar plaats gehouden. Ook hier zijn de reeds genoemde pasteltinten aan de orde, vooral aangepast aan en in harmonie met de kleuren van het jakje en de doek. In geval van rouw is de kleur zwart. Men treft bij een schoudermantel aan de achterzijde van het halsgedeelte een harde rechtopstaande kraag aan.
MUTS De zondagse muts is vervaardigd van wit kant met fraai ingewerkte patronen als bloemen en dergelijke. Vaak wordt voor dergelijke mutsen de naam ‘blonde muts’ gehanteerd waarbij wordt gesteld dat ‘blonde’ een verbastering zou zijn van ‘gebloemde’ of ‘geblomde’. Dit is niet juist: het gaat om een bepaalde soort kant dat de naam ‘blonde’ draagt. In het metalen overgangsgedeelte van het ijzer naar de boeken komen kleine gaatjes voor. Daarin wordt aan de beide zijden van het ijzer een gouden sierspeld gestoken. Dergelijke spelden zijn aan hun bovenzijde voorzien van een parel. Een muts moet uiteraard, na enige tijd te zijn gedragen, worden gewassen. Een zogeheten mutsenwaster stijft daarna deze muts, strijkt haar en brengt vervolgens de plooien aan die aan de beide voorzijden van een muts zichtbaar zijn.
HOOFDIJZER (Alhoewel het hoofdijzer van zilver is vervaardigd, bleef voor de hoofdtooi de benaming ijzer gelden) Is een zilveren beugel die om het hoofd klemt. Aan de voorzijde ervan zitten gouden sierknoppen die ‘boeken’ worden genoemd. In tegenstelling tot wat men verwacht, gaat het bij een hoofdijzer niet om een aangepast element, maar om een mate van confectie. Over dit hoofdijzer wordt een witte muts gespannen die, afhankelijk van de situatie, van een verschillende soort textiel is vervaardigd. De doordeweekse muts is van een fijnere effen witte stof. In geval van rouw wordt een muts gedragen van een dikkere witte stof.
SIERADEN Wanneer een Scheveningse klederdrachtdragende vrouw op haar zondags is gekleed, draagt zij sieraden. Het gaat daarbij om een meerrijïg halssnoer van rode gitten of bloedkoralen. Verder sluit de vrouw haar zondagse doek met een gouden speld die het meest overeenkomt met de vorm van de boeken van haar hoofdijzer. Een dergelijke speld wordt ‘hartspeld‘ genoemd. In geval van rouw worden de sieraden afgelegd en worden ook de sierspelden van het hoofdijzer vervangen door eenvoudige zwarte spelden.
KOUSEN, SCHOENEN EN ACCESSOIRES Zoals reeds eerder is opgemerkt zijn zowel de schoenen als de kousen zwart, hebben de schoenen geen hoge hakken en vertonen ze weinig opsmuk. Een zwarte handtas vormt de kers op de taart. In vroeger jaren kende men geen handtas. Onder de overrok, waarin aan de zijkant een opening (in feite een spleet) was aangebracht, droeg men een witte zak. Deze was met een band om het lichaam gebonden. Via deze spleet of het zogenaamde snirsgat kon men bij en ín deze zak komen. Men droeg daarin de portemonnee, de zakdoek, sleutels en soortgelijke kleine attributen.
HAARDRACHT In dit alles is het haar van een klederdrachtdragende vrouw niet gekruld maar, strak met een scheiding in het midden, naar achteren gekamd. Voor zover er van lang haar – en daarom van een vlecht – sprake is, wordt die vlecht tot een zogeheten ’toot’ samengespeld. Deze toot verdwijnt bij het dragen van het hoofdijzer onder de uitstekende achterzijde van de muts.
WERKDRACHT
ROK Zwart
ONDERROK Zondagse en doordeweekse onderrokken wijken onderling niet af.
SCHORT Blauw of blauwgrijs blokjespatroon.
JAKJE Een jak met een korte mouw.
OMSLAGDOEK Bij de doeken zijn de kleuren pastel en veelal in harmonie met de kleuren van de jak.
SCHOUDERMANTEL In harmonie met de kleuren van het jakje en de doek.
HOOFDIJZER Niet
MUTS Wit kapje
SIERADEN Niet
DOORDEWEEKSE DRACHT
ROK Zwart
ONDERROK Zondagse en doordeweekse onderrokken wijken onderling niet af.
SCHORT Blauw of blauwgrijs streepjespatroon.
JAKJE In de daagse, en met name de zondagse, jakjes komen voor het eerst kleuren naar voren. Deze zijn in het algemeen pastel en niet schreeuwend van opmaak.
OMSLAGDOEK Bij de doeken zijn de kleuren pastel en veelal in harmonie met de kleuren van de jak.
SCHOUDERMANTEL In harmonie met de kleuren van het jakje en de doek.
HOOFDIJZER Hoofdijzer
MUTS Muts
SIERADEN Geen
ZONDAGSDRACHT
ROK In principe bestaat er geen verschil tussen het aanzien van een doordeweekse en een zondagse bovenrok; hoogstens geven de gebruikte stoffen een verschil aan.
SCHORT Het zondagse schort is glanzend zwart. Het is aan de beide verticale zijden afgebiesd met een smalle witte strook.
JAKJE In de daagse, en met name de zondagse, jakjes komen voor het eerst kleuren naar voren. Deze zijn in het algemeen pastel en niet schreeuwend van opmaak. Meer bemiddelde vrouwen droegen soms een jakje van gebloemde stof, dat ‘baskerlijf’werd genoemd.
OMSLAGDOEK kortweg de doek genaamd, is vierkant van vorm met zijden die een lengte en een breedte hebben van omstreeks 1,20 meter. Deze zijden zijn alle afgebiesd met een franje. Ook bij de doeken zijn de kleuren pastel en veelal in harmonie met de kleuren van de jakjes. Een doek wordt tot een driehoek gevouwen en vervolgens om de schouders gedrapeerd en ingespeld volgens traditionele, vaste regels. Bij rouw is de doek eveneens zwart.
SCHOUDERMANTEL Plaatselijk ‘schoermantel’ geheten – komt overeen met een mouwloze cape. Ze is cirkelvormig van model. In de mantel is een ronde hals uitgespaard; de beide uiteinden van het halsgedeelte zijn respectievelijk voorzien van een haak en een oog zodat de mantel (uitsluitend) aan de hals wordt gesloten. Een dergelijke mantel wordt zowel door haar eigen zwaarte als door de armen van de draagster op haar plaats gehouden. Ook hier zijn de reeds genoemde pasteltinten aan de orde, vooral aangepast aan en in harmonie met de kleuren van het jakje en de doek. In geval van rouw is de kleur zwart. Men treft bij een schoudermantel aan de achterzijde van het halsgedeelte een harde rechtopstaande kraag aan.
HOOFDIJZER Dat komt overeen met een zilveren beugel die om het hoofd klemt. Aan de voorzijde ervan zitten gouden sierknoppen die ‘boeken’ worden genoemd. In tegenstelling tot wat men verwacht, gaat het bij een hoofdijzer niet om een aangepast element, maar om een mate van confectie. Over dit hoofdijzer wordt een witte muts gespannen die, afhankelijk van de situatie, van een verschillende soort textiel is vervaardigd. De doordeweekse muts is van een fijnere effen witte stof. In geval van rouw wordt een muts gedragen van een dikkere witte stof.
MUTS De zondagse muts is vervaardigd van wit kant met fraai ingewerkte patronen als bloemen en dergelijke. Vaak wordt voor dergelijke mutsen de naam ‘blonde muts’ gehanteerd waarbij wordt gesteld dat ‘blonde’ een verbastering zou zijn van ‘gebloemde’ of ‘geblomde’. Dit is niet juist: het gaat om een bepaalde soort kant dat de naam ‘blonde’ draagt. In het metalen overgangsgedeelte van het ijzer naar de boeken komen kleine gaatjes voor. Daarin wordt aan de beide zijden van het ijzer een gouden sierspeld gestoken. Dergelijke spelden zijn aan hun bovenzijde voorzien van een parel. Een muts moet uiteraard, na enige tijd te zijn gedragen, worden gewassen. Een zogeheten mutsenwaster stijft daarna deze muts, strijkt haar en brengt vervolgens de plooien aan die aan de beide voorzijden van een muts zichtbaar zijn.
SIERADEN Wanneer een Scheveningse klederdrachtdragende vrouw op haar zondags is gekleed, draagt zij sieraden. Het gaat daarbij om een meerrijïg halssnoer van rode gitten of bloedkoralen. Verder sluit de vrouw haar zondagse doek met een gouden speld die het meest overeenkomt met de vorm van de boeken van haar hoofdijzer. Een dergelijke speld wordt ‘hartspeld‘ genoemd. In geval van rouw worden de sieraden afgelegd en worden ook de sierspelden van het hoofdijzer vervangen door eenvoudige zwarte spelden.
ROUWDRACHT
deze heeft geen andere samenstelling voor wat betreft de gangbare kledingstukken, maar ze wijkt af door de algeheel gehanteerde kleur zwart. Het laatste met uitzondering van de muts van het hoofdijzer die wit blijft.
JAKJE Bij een rouwdracht is het jakje zwart.
OMSLAGDOEK Bij rouw is de doek zwart.
SCHOUDERMANTEL Zwart
HOOFDIJZER In geval van rouw wordt bij het hoofdijzer een muts gedragen van een dikkere witte stof.
SIERADEN In geval van rouw worden de sieraden afgelegd en worden ook de sierspelden van het hoofdijzer vervangen door eenvoudige zwarte spelden.
Schevenings dialect
Dit woordenboek Schevenings bevat 17 gezegden, 1705 woorden en 12 opmerkingen.
17 gezegden
∙ aankondiging dat het net binnengehaald zal worden – Me gæne ‘ æle: ‘ t ister van ‘ æle! ∙ Alles goed! 1. – Alles wel an boord!
∙ Alles goed! 2. – Alles wel, be’alleve ’n nat bien!
∙ Alles goed! 3. – Alles zûver!
∙ Dag lieverd – Dag pand
∙ De beste wensen voor een gelukkig nieuwjaar! – Al ‘ et nôdege (voor têd en eeuweg’ êd!)
∙ Het zal mij een zorg zijn! – ’t Zel me amme gat roeste!
∙ Iets moois als (ver) sier (ing) – Voor de môi-tôi
∙ Ik ga even douchen – Effeh een dûk nemeh
∙ Ik heb genoeg gegeten. – Ik eb me buk ut de kreuk egeten!
∙ Ik zweet me kapot! – ‘ t Zweat loop’ me neavel of!
∙ Kind, wat heb je dat prachtig gezegd! – Kind, wat ‘ei-je dat môi ‘esprooke!
∙ Kopje koffie met een koekje – lekker bakje met ’n dingetje
∙ uitspraak van iemand die uitgebreid en goed gegeten heeft en aan het uitbuiken is: – As me moeder me buk zou voele dan zou ze zegge: me kind ‘ êt kliertjes.
∙ Wat maak je me nou? – Wat doe je bê me?
∙ We gaan naar bed. – Me gæne legge.
∙ Welkom in zee! (vissersgroet) – Wellekom in zê!
1705 woorden
∙ aalbes – ælebes
∙ aangeschoten, (lichtelijk beneveld) – an’eschote
∙ aankleden, (ww.) – anklên
∙ aankomen, (ww.) – ankomme
∙ aanrecht – rechbank
∙ aanstellerij – poppekast
∙ aap – æp
∙ aardappel – ærepel
∙ aardappelmesje – ærepelemesje
∙ aardbei – ærebei
∙ aarde – ærde
∙ aardig – ærdeg
∙ achterbalkon, (van een woning) – plat
∙ achteruitgaan (bijv. door ziekte) – oftaekele
∙ Achteruitkijkspiegel op fiets of bromfiets – Bromkikkertje ∙ achterwerk 1., zie ook ‘billen 1.’ – fondement
∙ achterwerk 2., zie ook ‘billen 2.’ – gat
∙ achterwerk 3., (plat), zie ook ‘billen 3.’ – Abby
∙ achterwerk 4, , (plat), zie ook ‘billen 4.’ – reet
∙ achterzeil, (zeilscheepvaart) – gatzêl
∙ acrobaat – piepejas
∙ ademen, (ww.) – æseme
∙ advocaat – ævekæt
∙ af – of
∙ af en toe, zie ook ‘soms 3.’ – tussebije
∙ afblijven, (ww.) – ofblêve
∙ afbreken, (ww.) – ofbreeke
∙ afdelen, (ww.) – ofdêle
∙ afgunst – kift
∙ afhouder (in de vleetvisserij)
∙ afslager – ofslæger
∙ aftroggelen, (ww.) – loeze
∙ aftuigen 1., (ww.) – oftûge
∙ aftuigen 2., (pak slaag geven), (ww.) – oframmele ∙ afwijzen, (ww.) – bedanke
∙ akelig – ækeleg
∙ allemaal 1. – allemæl
∙ allemaal 2. – allegær
∙ allemaal 3. – altegær
∙ allerlei – alderlei
∙ ander – aar
∙ anders – aars
∙ andersom – aarsom
∙ angstig 1., (zeer -) – dôsbang
∙ angstig 2., (zeer -) – dôsbenauwd
∙ angstig zijn 1., zie ook ‘bang zijn 1.’ –
∙ angstig zijn 2., zie ook ‘bang zijn 2.’ –
∙ apart, zie ook ‘bijzonder 2.’ – ampart
∙ apparaat 1. – apperæt
∙ apparaat 2. – ekstrement
∙ arm 1., (zn.) – arrem
∙ arm 2., (zn., verouderde woordvorm)
∙ astmatisch – borsteg
∙ avond – ævend
∙ avondmaal, (heilig -) – nachmæl
∙ azijn – nezên
∙ baan 1. – bæn
∙ baan 2., (werk) – ampje
∙ baantje, (werk) – jobje
∙ baard – bærd
∙ baden, (ww.) – baaie
∙ baker – bæker
∙ bang zijn 1., zie ook ‘angstig zijn 1.’ –
∙ bang zijn 2., zie ook ‘angstig zijn 2.’ –
∙ bangerik 1. – kakkebrook
∙ bangerik 2. – schêtert
∙ bangerik 3. – schêt’ûs
∙ bangerik 4. – schêtlærs
∙ bangerik 5. – schêtlêster
∙ bangerik 6. – schêtebrook
∙ barometer 1. – ‘ t glas
∙ barometer 2. – ’t gleisje
∙ bedaard – bedærd
∙ bedaren, (ww.) – bedære
∙ bedelaar – beedelær
∙ bedorven, (v.deelw.) – bedurreve
– of’ouwer
de beroerte ‘æle de stûpe ‘æle
– narrem
de beroerte ‘æle de stûpe ‘æle
∙ bedotten 1., (ww.) – verkulle
∙ bedotten 2., (ww.) – belætæfele
∙ bedotten 3., (ww.), zie ook ‘poepen 1.’ – kakke ∙ been – bien
∙ beest, zie ook ‘dier’ – bêst
∙ beestje – beisje
∙ begrafenis – begræfenis
∙ begraven, (ww.) – begræve
∙ begrijpen, (ww.) – begrêpe
∙ Begrip; Benul – Bezwui
∙ behalve – be’alleve
∙ behoeven, (ww.), zie ook ‘hoeven’ – ‘oove
∙ bejaard – bejærd
∙ bejaardentehuis – wês’ ûs
∙ bekeerd, – zijn – bekêrd, – weeze
∙ bekvechten, (ww.) – strije
∙ belazerd, ben je -? – belæzerd, bei je -?
∙ belazeren, (ww.) – belæzere
∙ beloven, (ww.) – belôve
∙ bemanning – schipvollek
∙ ben je? (ww., ott.) – bei je?
∙ beneden 1. – beneeje
∙ beneden 2. – beloo
∙ bepalen – bepele
∙ bereiken, (ww.) – belenge
∙ berg – burreg
∙ beschaamd, (ww., v.deelw.) – beschæmd
∙ beschadigd 1., (ww., v.deelw.) – beschædegd ∙ beschadigd 2., (ww., v.deelw.) – kepot ‘emækt ∙ beschadigen 1., (ww.) – beschædige
∙ beschadigen 2., (ww.) – kepot mæke
∙ beschamen, (ww.) – beschæme
∙ beschrijven, (ww.) – ûtduie
∙ beslaan, (ww.) – beslæn
∙ besparen, (ww.) – bespære
∙ bestaan, (ww.) – bestæn
∙ betijden laten -, (ww.) – betije, læte –
∙ bevallen, moeten -, (ww.) – legge, motte –
∙ bevragen, (ww.) – bevræge
∙ bevriend, goed – zijn – klante, goeie – weeze
∙ bewaren, (ww.) – bewære
∙ bewijs – bewês
∙ bezeren, (ww.) – bezêre
∙ bezwaar – bezwær
∙ bezwaarlijk – bezwærlek
∙ bijbel – bêbel
∙ bijdehand – mette’and
∙ bijl – bêl
∙ bijna – bekant
∙ bijten, (ww.) – bête
∙ bijzonder 1. – bezunder
∙ bijzonder 2., zie ook ‘apart’ – ampart
∙ biljartbal – bejartbal
∙ biljarten, (ww.) – bejartje legge
∙ billen 1., zie ook ‘achterwerk 1.’ – fondement
∙ billen 2., zie ook ‘achterwerk 2.’ – gat
∙ billen 3., (plat), zie ook ‘achterwerk 3.’ – kont
∙ billen 4., (plat), zie ook ‘achterwerk 4.’ – reet
∙ biscuitje – kækje
∙ blaadje – bleitje
∙ blaar – blær
∙ blaas – blæs
∙ bladeren 1., (ww.) – blædere
∙ bladeren 2., (zn., mv.) – blaaie
∙ blazen, (ww.) – blæze
∙ bleek – blêk
∙ bleken, (ww.), zie ook ‘blijken’ – blêke
∙ blijkbaar – zeekers
∙ blijken, (ww.), zie ook ‘bleken’ – blêke
∙ bloedblaar – bloedbladder
∙ bloem 1. (product van bloeiwijze) – blom
∙ bloem 2. (fijn meel) – bloome
∙ bloot – blôt
∙ blootgeven, zich -, (ww.) – ûtbrenge
∙ blootje – blôtje
∙ bodem, (van een vat of emmer) – boom
∙ boeg – boug
∙ boeket – rukkert
∙ boeman – kakkelauwes
∙ boeten, (ww., herstellen van haringnetten, visserij, oud) – boete ∙ boetnaald – boetnæld
∙ boetster, (vrouw die haringnetten herstelt)
∙ boezem – boozem
∙ bokking – bokkem
∙ bolleboos – bollebôs
∙ bomschuit, zie ook ‘schuit’ – schût
∙ bonen – bône
∙ bonestaak – boonestæk
∙ boodschap – booschop
∙ boog – bôg
∙ boom – bôm
∙ boos 1. – bôs
∙ boos 2., heel – zijn – dûvels weeze
∙ boos 3., heel – zijn – spinnêdeg weeze
∙ boosdoener – bôsdoener (t)
∙ booswicht – bôswicht
∙ boot – bôt
∙ borrel – beetje
∙ borreltje 1. – ‘apje
∙ borreltje 2. – likje
∙ borreltje 3. – slokje
∙ borstrok – kammezool
∙ boter – butter
∙ boterham – ommekantje
∙ boterham 1. – ommekantje
∙ boterham 2., zie ook ‘stuk’ – stik
– boester
∙ boterham op elkaar met beleg – ommekantje ∙ boterhamzakje – stikkezakje
∙ boterkoek – butterkook
∙ bovenlichaam – boove-lêf
∙ bovenraam – boove-ræm ∙ bozig 1. – bôzeg
∙ bozig 2. – kwæieg
∙ braam – bræm
∙ braamsap – bræmesap
∙ bracht, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) – broch, ik -, jij -, ‘ ij –
∙ brachten, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) – broche, me -, wij -, jûlie -, zûlie – ∙ braden, (ww.) – braaie
∙ braken, zie ook ‘overgeven’ en ‘spugen’, (ww.) – spouge
∙ brandje – fikje
∙ breed – brêd
∙ breinaald – breinæld
∙ bretels – gallege
∙ brodeloos – brôdelôs
∙ broeierig – mokkeg
∙ broek – brook
∙ brood – brôd
∙ broodmager – brôdmæger
∙ broodmes – brôdmes
∙ broodnodig – brôdnôdeg
∙ broodpap – brôdpap
∙ broodplank – brôdplank
∙ broodzakje, (textiel) – stikkezakje
∙ bruin – brûn
∙ buigen, (ww.) – bûge
∙ buik – buk
∙ buikpijn – pên in ze buk
∙ buis (je) – bûs, (buisje)
∙ buiten – bûte
∙ buitenboel – bûteboel
∙ buitendeur – bûtedeur
∙ buitenhaven – bûte’æve
∙ buitenkant – bûtekant
∙ buizen, (ww.) – bûze
∙ capabel – bekwæm
∙ chocolaatje – sukkeleitje
∙ chocolade – sukkelæ
∙ compliment, zie ook ‘pluim’ – plûm
∙ daad – dæd
∙ daadkrachtig – rizzeluut
∙ daar 1. – dær
∙ daar 2., zie ook ‘ginds’ – gunt
∙ daaraf – dærof
∙ daarbij – dærbij
∙ daarbuiten – dærbûte
∙ daardoor – dærdeur
∙ daarginds – d’rgunt
∙ daarheen – dær’een
∙ daarlaten, (ww.) – dærlæte
∙ daarmee 1. – d’ rmee ∙ daarmee 2. – dærmee ∙ daarnaar 1. – d’ rnær ∙ daarnaar 2. – dærnær ∙ daarnaast – dærnæst ∙ daarnet – d’rnet
∙ daarom – dærom
∙ daaronder – d’ronder
∙ daarstraks – d’rstrakkies
∙ daartegenover – dærteugenover
∙ dacht, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) – doch, ik -, jij -, ‘ij-
∙ dachten, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) – doche, me -, wij -, jûlie -, zûlie – ∙ dadelijk 1. – dælek
∙ dadelijk 2., zo -, zie ook ‘meteen 4.’ – aanstons
∙ dadelijk 3., (verouderde woordvorm) – ‘ aast
∙ dakpannen – pannedakke
∙ damp, zie ook ‘wasem’ – wæsem
∙ danig – ‘artstikke
∙ datum – dætem
∙ de haven invaren – binnekomme
∙ de haven uitvaren – ûtgaen
∙ deinen 1., (ww.) – dêne
∙ deinen 2., (ww.) – dênze
∙ Den Haag – De ‘Æg
∙ dertien – dortien
∙ dertig – dorteg
∙ destijds, zie ook ‘vroeger’ – vrooger
∙ deugdzaam, zie ook ‘welopgevoed’ – ordentelek
∙ dier, zie ook ‘beest’ – bêst
∙ dijk – dik
∙ dinsdag, (verouderde woordvorm) – dingsdag
∙ dode, zie ook ‘doden 2.’ – dôie
∙ doden 1., (ww.) – dôdmæke
∙ doden 2., (zn.), zie ook dode – dôie
∙ doek – dook
∙ doezelig – suffeg
∙ donker 1., heel – – pikkedonker
∙ donker 2., heel – – roetnacht
∙ doodkist – dôdkist
∙ door (een) roeren, (ww.) – ‘ussele
∙ doordrammen, (ww.) – zêke
∙ doordrammer – zêkert
∙ dooreten, (ww.) – deureete
∙ doorgaan, (ww.) – deurgæn
∙ doorknippen, (ww.) – deurknippe
∙ doorlaten, (ww.) – deurlæte
∙ doorlopen, (ww.) – deurlôpe
∙ doormaken 1., (ww.) – deurmæke
∙ doormaken 2., (ww.) – meemæke
∙ doorslapen, (ww.) – deurslæpe
∙ doorsteken, (ww.) – deursteeke
∙ doorzagen, (ww.) – deurzæge
∙ doorzaniken, (ww.) – deurzæneke
∙ doos – dôs
∙ draad – dræd
∙ draadje – dreitje
∙ dragen 1., (ww.) – dræge
∙ dragen 2., (ww., verouderde woordvorm) – dreege
∙ drein, (zn.) – drên
∙ dreinen 1., (ww.) – drêne
∙ dreinen 2., (ww.) zie ook bij ‘huilen’ – lengze
∙ drogen, (ww.) – drôge
∙ dromen, (ww.) – drôme
∙ dromer – drômert
∙ dronken 1. – læzeres
∙ dronken 2. – sikkes
∙ droog – drôg
∙ droom – drôm
∙ druif – drûf
∙ druipen, (ww.) – drûpe
∙ duif – dûf
∙ duik – dûk
∙ duim – dûm
∙ duin – dûn
∙ Duindorp – Westdûne
∙ duister – dûster
∙ duisternis – dûsternis
∙ duivel 1. – dûvel
∙ duivel 2. – sætan
∙ duivel 3., de – – bôze, de –
∙ duizelig – dûzeleg
∙ duizend – dûzend
∙ durf, (zn.), zie ook ‘lef’ – kerakter
∙ durfde, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) – dors, ik -, jij -, ‘ij –
∙ durfden, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) – dorse, me -, wij -, jûlie -, zûlie – ∙ durven, (ww.) – durreve
∙ duur – dier
∙ duurte – dierte
∙ dwaas, (zn.) – dwæs
∙ dwalen, (ww.) – dwæle
∙ dwars – dwors
∙ dwarsliggen, (ww.) – dworslegge
∙ dweil – dwêl
∙ een, (hoofdtelw.) – ien
∙ eend – iend
∙ eens 1. – iens
∙ eens 2. – iemmæl
∙ eerder – êrder
∙ eerlijk – êrlek
∙ eerste – êste
∙ eigen, (bn.) – êge
∙ eigenaardig – êgenærdeg
∙ eigengereid – êgegerêd
∙ eigenlijk 1. – êgelek
∙ eigenlijk 2., zie ook ‘feitelijk’ – fêtelek
∙ eigenwijs – êgewês
∙ eigenzinnig iemand – êge’êmert ∙ eikel – êkel
∙ eind – end
∙ einde – ende
∙ einde van het haringseizoen – bouwe teelt ∙ electriciteit 1. – ellektriek
∙ electriciteit 2., zie ook ‘stroom’ – strôm
∙ elkaar – malkander
∙ elleboog 1. – ellebôg
∙ elleboog 2., (verouderde woordvorm) – nellebôg
∙ emmer, (verouderde woordvorm) – nemmer
∙ eraf – d’rof
∙ erbij – d’rbij
∙ erbuiten – d’ rbûte
∙ erdoor – d’ rdeur
∙ erf – urref
∙ erheen – d’r’een
∙ ernaast – d’rnæst
∙ eronder – d’ronder
∙ erwt – urret
∙ evacuatie 1. – eevakkewæsie
∙ evacuatie 2. – eevekewæsie
∙ evacueren 1. (ww.) – eevakkeweere
∙ evacueren 2. (ww.) – eevekeweere
∙ extraatje 1. – ‘ouwesje
∙ extraatje 2. – taatje
∙ fakkelen, (ww., sein bij bomschuitvisserij, oud) – stækele
∙ familie – femielje
∙ fantast – preevelær
∙ fatsoen 1. – fesoen
∙ fatsoen 2. – fesol
∙ feit, zie ook ‘fijt’ – fêt
∙ feitelijk, zie ook ‘eigenlijk’ – fêtelek
∙ fijt, zie ook ‘feit’ – fêt
∙ fluisteren, (ww.) – flûstere
∙ fluit (je) – flût, (fluitje)
∙ fluitketel – flûtkeetel
∙ folder (tje) – trakteitje
∙ gaan, (ww.) – gæn
∙ gaar – gær
∙ galstenen – galstiene
∙ gapen, (ww.) – gæpe
∙ garanalennet – saaing
∙ garen – gære (n)
∙ garnaal – garrent
∙ garnalennet – saaing
∙ gauwdief – jatmoos
∙ gaven, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) – gavve, me -, wij -, jûlie -, zûlie – ∙ gebakje – tæretje
∙ gebeden 1., (ww., v.deelw.) – ‘ebeeje
∙ gebeden 2., (ww., v.deelw., verouderde woordvorm) – ‘ebeen
∙ gebracht, (ww., v.deelw.) – ‘ebrocht
∙ gebruiken, (ww.) – gebrukke
∙ gedogen, (ww.) – genge
∙ gedragen, (ww., v.deelw.) – ‘edrooge
∙ gedruis – gedrûs
∙ geen – gien
∙ geërfd, (ww., v.deelw.) – ‘e’orreve
∙ geërgerd, zie ook ‘geprikkeld’ – narreg
∙ geest – gêst
∙ gefiliciteerd – fillesteere
∙ gehad 1., (ww., v.deelw.) – ‘e’aad
∙ gehad 2., (ww., v.deelw., verouderde woordvorm) – ‘e’êd ∙ geheel, zie ook ‘heel’ – ‘êl
∙ geit – gêt
∙ geleden 1., (v.deelw.) – ‘eleeje
∙ geleden 2., (tijdsbepaling) – ‘eleeje
∙ gelijk – gelik
∙ gelovig – kerreks
∙ geluid – gelûd
∙ geluksvogel – lukkepiet
∙ gemeente, (stedelijke overheid) – gemiente
∙ gemerkt, (ww., v.deelw.) – ‘emorreke
∙ genade – genæde
∙ genadig, zie ook ‘minzaam’ – genædeg
∙ generaal – ginneræl
∙ genoeg – genog (t)
∙ geprikkeld, zie ook ‘geërgerd’ – narreg
∙ gereformeerd – griffemeerd
∙ geruild, (v.deelw.) – ‘ eroole
∙ gescheiden, – zijn, (ww., v.deelw.) – ‘escheeje weeze
∙ geschreeuw – getjûl
∙ geslagen, (v.deelw.) – ‘eslooge
∙ geslagen, (ww., v.deelw.) – ‘eslooge
∙ gesp – geps
∙ gestorven, (ww., v.deelw.) – ‘esturreve
∙ getuige – getûge
∙ gevaar – gevær
∙ gevaarlijk – geværlek
∙ gevangenis, (verouderde woordvorm) – spin’ûs
∙ gewoon – geweun
∙ gezellig – echt
∙ gezeur – getjengel
∙ gezicht 1. – gelæt
∙ gezicht 2., (plat) – fieselemie
∙ gezicht 3., (plat) – kænes
∙ giechelen, hinderlijk -, (ww.) – gûchele
∙ gierigaard 1. – sentetikkert
∙ gierigaard 2. – zûnege neet
∙ gierigaard 3. – krent
∙ ginds, zie ook ‘daar’ – gunt
∙ glaasje – gleisje
∙ glijbaan – glêsbæn
∙ glijden, (ww.) – glêze
∙ gloednieuw – flunternieuwt
∙ godsdienstoefening thuis of aan boord – plicht doen
∙ godsdienstonderricht – kattegezæsie ∙ goede reis wensen – gedag zegge
∙ goedemorgen – goeiemurrege
∙ goedkoop – goekôp
∙ goochelaar – gôchelær
∙ goochelen, (ww.) – gôchele
∙ gooien, (ww.) – gôie
∙ goot – gôt
∙ graad, zie ook ‘graat’ – græd
∙ graag – græg
∙ graat, zie ook ‘graad’ – græt
∙ graatje – greitje
∙ graven, (ww.) – græve
∙ grijpen, (ww.) – grêpe
∙ grijs – grês
∙ grootmoeder 1., (verouderde woordvorm) – groo
∙ grootmoeder 2., (verouderde woordvorm) – grôtje
∙ grootvader, (verouderde woordvorm) – grôtevær
∙ grootzeil, (zeilscheepvaart) – grôtzêl
∙ gruis – grûs
∙ gsdgfsdgdsg – gfgdgfsfg
∙ haai – ‘ aai
∙ haak – ‘ æk
∙ haakpen – ‘ækpen
∙ haar 1., (zn.) – ‘ær
∙ haar 2., (pers.vnw.) – ‘uur
∙ haast – ‘æst
∙ haasten 1., (ww.) – ‘æste
∙ haasten 2., (ww.), zich – – jachte
∙ haasten 3., (ww.), zich – – rûfele
∙ haat – ‘æt
∙ had, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) – ‘a’, ik -, jij -, ‘ij –
∙ hadden, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) – ‘aa’ne, me -, wij -, jûlie -, zûlie – ∙ hagel – ‘ ægel
∙ Hagenaar 1. – ‘Ægenær
∙ Hagenaar 2. – ‘ Ægenees
∙ hak – ‘ak
∙ hakken, (ww.) – ‘ akke
∙ halen 1., (ww., iets -) – lange
∙ halen 2., (ww., iemand -) – ‘æle
∙ halen 3., (uitroep bij visserij, oud) – haléé
∙ hamer – ‘æmer
∙ hand, zie ook ‘handen 1, 2, 3, 4, 5 en 6’ – ‘and
∙ handdoek – ‘andook
∙ handen 1. – ‘ ande
∙ handen 2., (plat), zie ook ‘stelen’ – jatte
∙ handen 3., (plat) – klakke
∙ handen 4., (plat) – petænese
∙ handen 5., (plat) – ponke
∙ handen 6., (plat) – tengels
∙ Handen. – Potanissen
∙ handig, – zijn – beknêst weeze
∙ hang / legkast, zie ook ‘kabinet’ – kammenet
∙ hangen, (ww.) – ‘ange
∙ hannesen 1., (ww.) – ‘ annese
∙ hannesen 2., (ww.) – moorde
∙ hannesen 3., (ww.) – piele
∙ hap – ‘ap
∙ happen, (ww.) – ‘appe
∙ hard – ‘ard
∙ hardleers – ‘ardlêrs
∙ hardlopen, (ww.) – ‘ardlôpe
∙ haring 1. – ‘ æring
∙ haring 2., gekookte – – sied’æring
∙ harmonica – monika
∙ hart – ‘art
∙ hartig – ‘ arteg
∙ hartspeld, (sieraad klederdracht) – ‘ artspeld
∙ haven – ‘æve
∙ havenhoofden – koppes
∙ havenmeester – ‘ ævemêster
∙ hazenlip – scheerlip
∙ hebben, (ww.), zie ook ‘zijn 3.’ – ‘ebbe
∙ heeft, hij – – ‘ êt, ‘ ij –
∙ heel, zie ook ‘geheel’ – ‘ êl
∙ heette 1., hij – – ‘ iette, ‘ ij –
∙ heette 2., hij -, (verouderde woordvorm) – ‘iettede, ‘ij – ∙ heilig – ‘ êleg
∙ hek – ‘ek
∙ hekel – ‘eekel
∙ hel – ‘ el
∙ helemaal 1. – ‘ êlemæl
∙ helemaal 2. – ‘êlegær
∙ helpen, (ww.) – ‘ellepe
∙ hem, van – – zên, van –
∙ hemel – ‘eemel
∙ hen, (pers.vnw.), zie ook ‘hun’, ‘ze’ en ‘zij’ – zûlie
∙ herberg – ‘urreburreg
∙ herfst – ‘urrefst
∙ herinneren, (ww.) – ‘euge
∙ hersens, (goed van verstand zijn) – ‘arses ‘ebbe
∙ het – ’t, ‘et
∙ het sneeuwd – et snauwd
∙ hetzelfde – ’t êge
∙ hiel – ‘iel
∙ hielenlikker – slêmbal
∙ hier 1. – ‘ ier
∙ hier 2. – ‘ ierzô
∙ hier en daar, op z’n – geven – ‘ ier en dær, op z’ n – geeve ∙ hieraf – ‘ierof
∙ hierbij – ‘ierbij
∙ hierdoor – ‘ierdeur
∙ hierheen – ‘ ier’ een
∙ hiermee – ‘iermee
∙ hierna – ‘ iernæ
∙ hiernaar – ‘ iernær
∙ hiernaast – ‘iernæst
∙ hierom – ‘ierom
∙ hieromheen – ‘ierom’een
∙ hieronder – ‘ieronder
∙ hierop – ‘ierop
∙ hiertegen – ‘ ierteuge
∙ hieruit – ‘ ierût
∙ hiervandaan – ‘ iervandæn
∙ hij – ‘ij
∙ hinkelen, (ww.) – ‘inkele
∙ hitsig – grûzeg
∙ hitte 1. – ‘ itte
∙ hitte 2., (verouderde woordvorm) – ‘ ette
∙ hoed – ‘oed
∙ hoek – ‘ook
∙ hoepel – ‘oopel
∙ hoesten, (ww.) – ‘oeste
∙ hoeveelheid, grote – – kwakke
∙ hoeveelheid, kleine – – tisje
∙ hoeven, (ww.), zie ook ‘behoeven’ – ‘oove
∙ hok – ‘ok
∙ hond – ‘ ond
∙ honger – ‘ onger
∙ hoofd 1. – ‘ôfd
∙ hoofd 2., zie ook ‘hersens’ – ‘arses
∙ hoofddoek – ‘ôfdook
∙ hoofdijzer, (klederdracht), zie ook ijzer 2. – êzer
∙ hoofdje – ‘ovetje
∙ hoofdpijn – pên in z’n ‘ôfd
∙ hoofdzakelijk – ‘ôfzækelek
∙ hoog – ‘ôg
∙ hoogte – ‘ôgte
∙ hooi – ‘ôi
∙ hoop 1., (verwachting) – ‘ôp
∙ hoop 2., (in hoeveelheid) – ‘ôpe
∙ hopen, (ww.) – ‘ôpe
∙ horen, (ww.) – ‘ ore
∙ houden, (ww.) – ‘ouwe
∙ houder, (zn.), (in samenhang met een speciale rol, zie ‘rol’, visserij, oud) – gêste-kop ∙ hout – ‘out
∙ houten klompen – Oo blokken
∙ huichelaar – ‘ ûchelær
∙ huichelen, (ww.) – ‘ ûchele
∙ huilen, (ww.) zie ook bij ‘dreinen’ – krête
∙ huis (je) – ‘ûs, (‘uisje)
∙ huisbaas – ‘ ûsbæs
∙ huishouden – ‘ ûs’ ouwe
∙ huishuur – ‘ûs’uur
∙ huissleutel – ‘ûssleutel
∙ hulp – ‘ ullep
∙ humeurig 1. – saggerêneg
∙ humeurig 2. – belooreg
∙ hun, (bezitt. vnw.), zie ook ‘hen’, ‘ze’ en ‘zij’ – zûlie
∙ hutspot – peen-en-uie ∙ huur – ‘ uur
∙ huurwoning – ‘uur’ûs ∙ ijs – ês
∙ ijzer 1., (metaal) – êzer
∙ ijzer 2., (klederdracht), zie ook hoofdijzer – êzer ∙ ijzig – êzeg
∙ ik hou van eten – tweefel, ik -, jij -, ‘ ij –
∙ invalidenwagen – lammewæge
∙ inventief, – zijn – beknêst weeze
∙ inwonen, (ww.) – inweune
∙ inwrijven, (ww.) – invrêve
∙ inzepen, (ww.) – inzêpe
∙ ja – jæ.
∙ jaar – jær
∙ jagen, (ww.) – jæge
∙ jager – jæger
∙ janboel 1. – sarres
∙ janboel 2. – rût-ût
∙ jarenlang – jærelang
∙ jarig – jæreg
∙ jeuk – juk
∙ jeuken, (ww.) – jukke
∙ joh – joi
∙ juichen, (ww.) – jûche
∙ jullie – jûlie
∙ jus, (verouderde woordvorm) – sop
∙ kaak – kæk
∙ kaal – kæl
∙ kaalkop – kælkop
∙ kaalplukken, (ww.) – kælplukke
∙ kaars – kærs
∙ kaart – kært
∙ kaartje – kæretje
∙ kaas – kæs
∙ kaasboer – kæsboer
∙ kabeljauw – kabbelauw
∙ kabinet, zie ook ‘hang / legkast’ – kammenet
∙ kade – kæde
∙ kaken, (ww.) – kæke
∙ kamer – kæmer
∙ kaneel – kenêl
∙ kapot 1. – kepot
∙ kapot 2. – stuk
∙ kapotbijten, (ww.) – stukbête
∙ kapotmaken, (ww.) – stukmæke
∙ kapotscheuren, (ww.) – kepotscheure
∙ kapucijners 1. – grauwe urrete
∙ kapucijners 2. – ræsdonders
∙ karbonaadje – karrebeneitje
∙ karig – kæreg
∙ kastanje – kestanjer
∙ kater – kæter
∙ Katwijk – Kattek
∙ Katwijker – Katteker
∙ katzwijm – katzwêm
∙ keer – kêr
∙ keizer – kêzer
∙ Keizerstraat – de Straet
∙ kennen, (ww.), zie ook ‘kunnen’ – kenne
∙ keren, (ww.) – kêre
∙ kermen, (ww.) – kurreme
∙ kers – kors
∙ kerstboom – korsbôm
∙ kerstmis – korsemus
∙ kever – keeverik
∙ kijk eens aan – kik-‘r-is-an
∙ kijken, (ww.), zie ook ‘zien’ – kikke
∙ kind – pant
∙ kinderstoel – kakstoel
∙ kinderwagen – kinderwæge
∙ kippen, (zn., mv.) – kippes
∙ klaar – klær
∙ klaarmaken 1., (ww.) – klærmæke
∙ klaarmaken 2., (ww., visserij: schip vaarklaar maken, oud) – graaie ∙ klagen, (ww.) – klæge
∙ kleed – klêd
∙ kleedje – kleitje
∙ klein – klên
∙ kleren – klêre
∙ kletsen, (ww.) – klesse
∙ kletskous – klessebes
∙ kletsnat 1. – drûp
∙ kletsnat 2., (plat) – zêkes
∙ kletsnat 3., (plat) – zêknat
∙ kletspraat – gekkepræt
∙ kleuterschool – kakschool
∙ kliekje, (restant eten vorige dag) – pannevisje
∙ klomp – ‘oblok
∙ kluif – knar
∙ kluis – klûs
∙ kluit – bonk
∙ kluit (je) – klût, (kluitje)
∙ klungelen 1., (ww.) – ‘annese
∙ klungelen 2., (ww.) – piele
∙ klungelen 3., (ww.) – pielepôte
∙ klus – karrewei
∙ knijpen, (ww.) – knêpe
∙ knijper – knêper
∙ knolraap – knorræp
∙ knoop – knôp
∙ knopen, (ww.) – knôpe
∙ knuist – knûst
∙ knulletje – pikkie
∙ koek – kook
∙ koekenpan – kookebakspan
∙ koekje 1. – kookje
∙ koekje 2. – dingetje
∙ koffiepauze, (visserij, oud) – pik’eet
∙ kokosnoot – ookelekook
∙ kombuis – kombûs
∙ komijne kaas – kemênde kæs
∙ kon, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) – kos, ik -, jij -, ‘ij –
∙ konden, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) – kozze, me -, wij -, jûlie -, zûlie –
∙ konijn – kenên
∙ kooi – kôi
∙ koopvaardij – kofferdij
∙ koopvaardijschip – kofferdijschip
∙ koorts – koorst
∙ kopen, (ww.) – kôpe
∙ kopje koffie – bakje
∙ kortelings – onderlest
∙ kortgeleden – pas
∙ korzelig – storreleg
∙ kostbaar – kosbær
∙ koukleumen, (ww.) – vernikkele
∙ kozijn – kezên
∙ kraag – kræg
∙ kraan – kræn
∙ krabbelen 1., (ww.) – klauwe
∙ krabbelen 2., (ww.) – raffe
∙ krentenbrood – krentebrôd
∙ kreupel 1. – kreepel
∙ kreupel 2. – lam bien
∙ krijt – krêt
∙ krijten, (ww.), zie ook huilen – krête
∙ kroot – krôt
∙ kruik – kruk
∙ kruin – krûn
∙ kruipen, (ww.) – krûpe
∙ kruis – krûs
∙ kruisbes – klap-bes
∙ kruk – krik
∙ kuil – kûl
∙ kuip – kûp
∙ kunnen, (ww.), zie ook ‘kennen’ – kenne
∙ kurk – kullek
∙ kwaad – kwæd
∙ kwamen, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) – kwamme, me -, wij -, jûlie -, zûlie – ∙ kwartier (tje) – ketier (tje)
∙ kwijl – kwêl
∙ kwijt – kwêt
∙ kwijtraken, (ww.) – kwêtræke
∙ la, zie ook ‘lade’ – læ
∙ laaghartig iemand – fielt
∙ laars – lærs
∙ laat – læt
∙ laatje, (van een kast) – leitje
∙ laatst – onderlest
∙ laatste – leste
∙ lade, zie ook ‘la’ – læ
∙ lading van 17 tonnen – last
∙ lag, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) – lee, ik -, jij -, ‘ij –
∙ lagen, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) – leeje, me -, wij -, jûlie -, zûlie – ∙ laken – læke
∙ lantaarn – lantæren
∙ lantaarnpaal – lantærenpæl
∙ lastpak – doerak
∙ laten, (ww.) – læte
∙ later – læter
∙ lauw – leuk
∙ lawaai – kebæl
∙ leeuw – lêw
∙ lef, zie ook ‘durf’ – kerakter
∙ leggen, (ww.), zie ook ‘liggen’ – legge
∙ lenen, (ww.) – liene
∙ leren, (ww.) – lêre
∙ leugenaar 1. – leugenær
∙ leugenaar 2. – leugenbêst
∙ levertraan – levertræn
∙ lieverd – pand
∙ liggen, (ww.), zie ook ‘leggen’ – legge
∙ lijden, (ww.) – lije
∙ lijf – lêf
∙ lijk – lêk
∙ lijken, (ww.) – likke
∙ lijn – lên
∙ lijst – lêst
∙ lijster – lêster
∙ likdoorn – ekster-ôg
∙ lood – lôd
∙ loods 1., (schuur) – loos
∙ loods 2., (beroep) – lôs
∙ loodsboot – lôsbôt
∙ lopen, (ww.) – lôpe
∙ loper 1., (vloerbedekking) – lôper
∙ loper 2., (eenvoudige sleutel) – lôper
∙ luchtspiegeling – eilbêle
∙ luik – luk
∙ luis – lûs
∙ luisteren, (ww.) – lûstere
∙ lusteloos 1. – lammeléndeg
∙ lusteloos 2. – lammenædeg
∙ luwte 1. – opper
∙ luwte 2. – oppertje
∙ maag – mæg
∙ maagpijn – pên in ze mæg
∙ maal, (als maaltijd) – mæl
∙ maan – mæn
∙ maandag – mændag
∙ maart – mært
∙ maas, (van een net) – mæs
∙ maat – mæt
∙ maatje – meitje
∙ mager – mæger
∙ maizena – mezeena
∙ makreel – mekrêl
∙ malen, (ww.) – mæle
∙ mand 1. – maa
∙ mand 2. – ben
∙ mankeren, (ww.) – mekeere
∙ markt – mart
∙ matras – metras
∙ me pet is in de put gevalen – me put is in depet gevallen
∙ medelijden – meedôgend’ êd
∙ meemaken, (ww.) – meemæke
∙ meerdere, (onbep.telw.) – verscheie
∙ meest, zie ook ‘meestal 2’ – mêst
∙ meestal 1. – mêstal
∙ meestal 2., zie ook ‘meest’ – mêst
∙ meeste – mêste
∙ meester – mêster
∙ meeuw – mêw
∙ meid – mêd
∙ meisje, een lief – – ’n lekkere mêd
∙ menen, (ww.) – miene
∙ mengde, ik -, jij-, hij -, (ww., ovt.) – mong, ik -, jij -, ‘ij –
∙ mengden, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) – monge, me -, wij -, jûlie -, zûlie – ∙ menigte – mienegte
∙ merg – murreg
∙ mergpijpje – murregpêpje
∙ merkte, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) – morrek, ik -, jij -, ‘ij –
∙ merkten, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) – morreke, me -, wij -, jûlie -, zûlie – ∙ meteen 1. – medien
∙ meteen 2. – bedien
∙ meteen 3. – inderekt
∙ meteen 4., zo -, zie ook ‘dadelijk 2.’ – aanstons
∙ miezelregen – nat windje
∙ mijn 1., (zn.) – mên
∙ mijn 2., (bez.vnw.) – mên
∙ mijnheer, (verouderde woordvorm) – menêr
∙ minzaam, zie ook ‘genadig’ – genædeg
∙ mishandelen – toetaekele
∙ misleiden, (ww.) – verneuken
∙ moed – koeræzie
∙ moest, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) – mos, ik -, jij -, ‘ij –
∙ moesten, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) – mozze, me -, wij -, jûlie -, zûlie – ∙ moeten, (ww.) – motte
∙ mogen, (ww.) – magge
∙ mond 1., (plat) – kækement
∙ mond 2., (plat) – meeles
∙ mondharmonica – mondurregel
∙ mooi 1. – môi
∙ mooi 2., zie ook ‘prachtig’ en ‘waardevol’ – kostelijk
∙ morgenavond – murregen-ævend
∙ morgenochtend – murregen-ochend
∙ morsen, (ww., verouderde woordvorm) – storte ∙ muis (je) – mûs, (muisje)
∙ mus – mosje
∙ muts – mus
∙ naad – næd
∙ naadje – neitje
∙ naald – næld
∙ Naam – Neam
∙ naarling 1. – ækeleg’êd
∙ naarling 2. – sallemander
∙ naarling 3. – lamstræl
∙ naarling 4. – stik vergift
∙ nachtjapon – nachpon
∙ naderen, (ww.) – næke
∙ naderhand – næder’and
∙ nadoen, (ww.) – nædoen
∙ nagel – nægel
∙ navel – nævel
∙ navragen, (ww.) – nævræge
∙ neef of nicht – nômzegger
∙ neergelegd, (v.deelw.) – neer’ eleege
∙ neergelegd, (ww., v.deelw.) – neer’eleege
∙ neergooien 1., (ww.) – pleure
∙ neergooien 2., (ww.) – kwakke
∙ negosiante – in een gossie
∙ nevelig – ‘eieg
∙ niet waar – nietes
∙ niet waar, ja toch? 1. – iet-tá
∙ niet waar, ja toch? 2. – iet-tan
∙ niet waar, ja toch? 3. – niet-tá
∙ niet waar, ja toch? 4. – niet-tan
∙ nietig – petietereg
∙ niets 1. – geniene
∙ niets 2. – gieniene
∙ nijd – nêd
∙ nijdig – nêdeg
∙ nodig – nôdeg
∙ nood – nôd
∙ noordoost – noord-ôst
∙ noordoostelijk – noord-ôstelek
∙ noordoosten, het – – noord-ôste, ‘ t –
∙ noot – nôt
∙ nu – non
∙ ombuigen, (ww.) – ombûge
∙ omhoog – om’ôg
∙ omkeren, (ww.) – omkêre
∙ omkleden, (ww.) – omklên
∙ omlaag – omlæg
∙ omslaan, (ww.) – omslæn
∙ omwoelen, (ww.) – tækele
∙ onbekwaam – onbekwæm
∙ onbenullig – sulleg
∙ onderbroek – onderbrook ∙ onderlichaam – onder-lêf ∙ ongelijk – ongelik
∙ ongetwijfeld – zeekers
∙ ontwijken, (ww.) – mije
∙ onverwacht, zie ook ‘plotseling’ – iniene, zô –
∙ onzin 1. – malleg’êd
∙ onzin 2. – ræreg’ êd
∙ onzin 3. – gekkepræt
∙ onzin vertellen – eundere
∙ oog – ôg
∙ ooievaar – ôievær
∙ ooit – ôit
∙ oom – nôm
∙ oordeel – oordêl
∙ oordelen, (ww.) – oordêle
∙ oorzaak – sjoos
∙ oost – ôst
∙ oostelijk – ôslek
∙ oosten, het – – ooste, ’t –
∙ opblijven, (ww.) – opblêve
∙ open onderbroek of open broek vr. – open brook
∙ opgeborgen, (v.deelw.) – op’ eburrege
∙ ophalen, (ww.) – op’æle
∙ ophouden 1, (ww.) – op’ouwe
∙ ophouden 2., er mee – 1., (ww.) – ûtscheie
∙ ophouden 3., er mee – 2., (ww.) – kappe
∙ opknappen, (ww.), zie ook ‘optuigen 2.’ – opkallefætere
∙ opleveren, (ww.) – opdiepe
∙ opmaken, (ww.) – opmæke
∙ oprapen, (ww.) – opræpe
∙ opruimen, (ww.) – oprûme
∙ opscheppen, (ww., als bluffen) – oppêpe
∙ opschepperig – grôs
∙ opschepster 1. – kakmedam
∙ opschepster 2. – kakwêf
∙ opschepster 3. – paggedet
∙ Opschieten – Ruefele
∙ opschrijven, (ww.) – opschrêve
∙ opspelen, (ww.) – opspeule
∙ opstaan 1., (ww.) – oprêze
∙ opstaan 2., – uit bed, (ww.) ; zie ook ‘reizen’ en ‘rijzen’ – rêze ∙ optuigen 1., (ww.) – optûge
∙ optuigen 2., (ww.), zie ook ‘opknappen’ – opkallefætere
∙ optuigen, (ww.) – optûge
∙ opvoeden, (ww.) – grôtbrenge
∙ orgel – urregel
∙ ouders – ouwers
∙ oudste, (zn.) – ouwste
∙ overdreven gekleed of opgemaakt – op’etaekeld
∙ overgeven, (ww.), zie ook ‘braken’ en ‘spugen’ – spouge
∙ overhaast – ‘ æsje, rep je
∙ overlast – gelæzer
∙ paar – pær
∙ paard – pærd
∙ paardje – pæretje
∙ paars – pærs
∙ Paas – Paes
∙ pakken – langen
∙ paleis – pelês
∙ pannenkoek – kookebak
∙ pantoffel – petoffel
∙ papier – pepier
∙ papiertje – pepieretje
∙ paradijs – parredês
∙ paraplu – pæreplu
∙ pasen – pæse
∙ peil, zie ook ‘pijl’ – pêl
∙ peilen, (ww.) – pêle
∙ pepermunt – peeperemunt
∙ pet – put
∙ pet – vetklep
∙ petroleum 2. – peeterolie
∙ petroleum 3. – peetrolie
∙ petroleumstel – peeteroliestel
∙ petroleumstel, (eenpits) – ienpitter
∙ piekeren, (ww.) – prakkezeere
∙ pijl, zie ook ‘peil’ – pêl
∙ pijn – pên
∙ pijp – pêp
∙ pimpelpaars – pimpelpærs
∙ pinda – mangel
∙ plaag, (zn.) – plæg
∙ plaaggeest – plæg
∙ plaaggeest – plæggêst
∙ plaat – plæt
∙ plaatje – pleitje
∙ plaats – plæs
∙ plaatsje – pleisje
∙ plaatsknecht, (visserij, oud) – plæsknecht
∙ plagen 1., (ww.) – plæge
∙ plagen 2., (ww.) – jenne
∙ plooi – plôi
∙ plotseling 1. – klaks
∙ plotseling 2., zie ook ‘onverwacht’ – iniene, zô – ∙ pluim, zie ook ‘compliment’ – plûm
∙ pluis (je) – plûs, (pluisje)
∙ pluizig – plûzeg
∙ plukharen, (ww, , vechten) – plok’ære
∙ poepen 1., (ww.) – ofgæn
∙ poepen 2., (ww.) (plat) – schête
∙ poepen 3., (ww.) (plat) – kakke
∙ poepen 4., (ww.) (plat) – knêtere
∙ poepje 1. – florsje
∙ poepje 2. – wind
∙ poepje 3., (plat) – scheet
∙ poetsen, (ww.) – poese ∙ politie – pliesie
∙ politieagent – plisiegent ∙ poon, (vissoort) – pôn ∙ poortje – pooretje
∙ poot – pôt
∙ pootjebaden 1., (ww.) – pootjebaaie
∙ pootjebaden 2., (ww.) – plasse
∙ poppen, (mv.) – poppes
∙ prachtig, zie ook ‘mooi 2.’ en ‘waardevol’ – kostelek ∙ praten, (ww.) – præte
∙ prater – præter
∙ prentenboek – prentebook
∙ prijs – prês
∙ prijzen, (ww.) – prêze
∙ prijzig – prêzeg
∙ prikkeldraad – pikkedræd
∙ proeven, (ww.) – proove
∙ pruik – pruk
∙ pruim – prûm
∙ pruimen, (ww.) – prûme
∙ Pruimtabak – Drit (of Drid )
∙ prul – flutding
∙ psalm 1., (als bijbeltekst) – pesallem
∙ psalm 2., (als kerkelijk lied) – pesallemvorsje
∙ psalmenboekje, (religieus) – pesallembookje
∙ puist (je) – pûst, (puisje)
∙ put – pet
∙ raad – ræd
∙ raam – ræm
∙ raap – ræp
∙ raar 1., – rær
∙ raar 2., – vreemdeg
∙ rat – rot
∙ razen, (ww.) – ræze
∙ reepschieter (in de vleetvisserij)
∙ regelaarster – krukkebeschikster
∙ regelen, iets – – kakse
∙ reis – rês
∙ reizen, (ww.), zie ook ‘opstaan’ en ‘rijzen’ – rêze
∙ repareren 1., (ww.) – rippereere
∙ repareren 2., (ww.) – mæke
∙ rest (eten) – pannevisje
∙ reuma 1. (verouderde woordvorm)
∙ reuma 2. – rimmetiek
∙ rijbaan – pærdewegt
∙ rijden, (ww.) – rije
∙ rijk – rik
∙ rijkdom – rikdom
∙ rijke stinker – knaekepoesser
∙ rijmen, (ww.) – rême
∙ rijp – rêp
∙ rijst – rêst
– rêpschieter
– rummetiek
∙ rijzen, (ww.), zie ook ‘opstaan’ en ‘reizen’ – rêze ∙ roepen, (ww.) – roope
∙ roggebrood – roggebrôd
∙ roken, (ww.) – rôke
∙ rol, (waarover de haringnetten in zee werd gezet, visserij, oud) – gêste-rol ∙ rollade – rollende
∙ rommel 1. – pûn-zôi
∙ rommel 2. – rotzôi
∙ rommel 3., het is daar een – – keet, ‘et is dær ’n – ∙ rommelig – grûzemûzeg
∙ rondhangen 1., (ww.) – schaajere
∙ rondhangen 2., (ww.) – scharrele
∙ rood – rôd
∙ roodvonk – rôdvonk
∙ rook – rôk
∙ rooms – rôms
∙ rozijn – rezên
∙ rrrr – rrr
∙ ruig – rûg
∙ ruiken, (ww.) – rukke
∙ ruim – rûm
∙ ruimte – rûmte
∙ ruit – rût
∙ ruzie 1. – rûzie
∙ ruzie 2., (lawaaiig van geluid) – oreemes
∙ ruzie maken 1. – kibbele
∙ ruzie maken 2. – kifte
∙ saai iemand – dôie diender
∙ samen 1. – sæme
∙ samen 2. – met-se beie
∙ schaaf – schæf
∙ schaal – schæl
∙ schaap – schæp
∙ schaar – schær
∙ schaatsen 1., (ww.) – schæse
∙ schaatsen 2., (zn., mv.) – schæse
∙ schamen, zich -, (ww.) – schæme, z’n êge –
∙ schandalig – schandæleg
∙ scharenslijper – schæresliep
∙ scharrelaar – scharrelær
∙ schaven, (ww.) – schæve
∙ scheepsemmertje – puzze
∙ scheerzeep – scheerzêp
∙ scherp – scharrep
∙ schevenings – book
∙ Scheveningse klederdracht – dracht (i.t.t. burger) ∙ schichtig, zie ook ‘schuw’ – schouw
∙ schijf – schêf
∙ schijnen, (ww, ) – schêne
∙ schijnheilig – schên-‘êleg
∙ schijnheilig iemand – ‘ êleg bôntje
∙ schijnsel – schênsel
∙ schilder – vurrever
∙ schilderen, (ww.), zie ook ‘verven’ – vurreve ∙ schoen, (verouderde woordvorm) – schoe ∙ schoenen – peppers
∙ schoensmeer / schoencreme – schoenpoes ∙ schoonheid, – schôn’ êd
∙ schoonmaak – schômæk
∙ schoonmaken 1., (ww.) – schômæke
∙ schoonmaken 2., stevig -, (ww.) – soppe
∙ schoonzuster 1. – schônzus
∙ schoonzuster 2., (verouderde woordvorm) – sneer ∙ schoorsteen – schoorstien
∙ schoot – schôt
∙ schotel – schuttel
∙ schoudermantel, (klederdracht) – schoemantel
∙ schreeuw – schrêw
∙ schreeuwen, (ww.) – schrêwe
∙ schrijven, (ww.) – schrêve
∙ schubben – schobbes
∙ schuif – schûf
∙ schuilen, (ww.) – schûle
∙ schuim – schûm
∙ schuimen, (ww.) – schûme
∙ schuin 1. – schûn
∙ schuin 2. – schûns
∙ schuit, zie ook ‘bomschuit’ – schût
∙ schuiven, (ww.) – schûve
∙ schuurtje – loosje
∙ schuw, zie ook ‘schichtig’ – schouw
∙ semafoor 1. – pallem’uisje
∙ semafoor 2. – simmesfoor
∙ sibbediksie – sibbediksie = gezag
∙ sigaar – segær
∙ sinaasappel – appelesien
∙ sinterklaas – suntereklæs
∙ sjouwen, (zwaar werk verrichten), (ww.) – pochele ∙ sla – slæ
∙ slaaf – slæf
∙ slaag, een pak – – slæg, ’n pak –
∙ slaan 1., (ww.) – slæn
∙ slaan 2., (ww., specifiek bij vechten) – kesse
∙ slaap 1. – slæp
∙ slaap 2. – væk
∙ slaapje – pufje
∙ slagen, (ww.) – slæge
∙ slager – slæger
∙ slaken, (ww.) – slæke
∙ slapen 1., (ww.) – slæpe
∙ slapen 2., gaan -, (ww.) – gæn legge
∙ slavendrijver – slævedrêvert
∙ slecht – ondings
∙ slechts – enkeld
∙ slijm – slêm
∙ slijmerig – slêmereg
∙ slijtageplek – sleet
∙ slijten, (ww.) – slête
∙ slim – polletiek
∙ slokje – zoopje
∙ sloof – slôf
∙ sloom – slôm
∙ sloop – slôp
∙ sloot – slôt
∙ slopen, (ww.) – slôpe
∙ sloven, (ww.) – slôve
∙ sluipen, (ww.) – slûpe
∙ sluis (je) – slûs, (sluisje)
∙ sluiten, (ww.) – slûte
∙ snavel – sneevel; sneavel
∙ snavel – snævel
∙ sneeuw – snouw
∙ sneeuwen, (ww.) – snouwe
∙ sneeuwt, het – – snouwt, ’t –
∙ snoep – snoop
∙ snoepje – snoopje
∙ snuiven, (ww.) – snûve
∙ soldaat – soldæt
∙ soms 1. – betije
∙ soms 2. – somtije
∙ soms 3., zie ook ‘af en toe’ – tussebije
∙ spaak – spæk
∙ spaarpot – spærpot
∙ sparen, (ww.) – spære
∙ speculaas 1. – spikkelæs
∙ speculaas 2., (verouderde woordvorm) – suntereklæs
∙ speculaasje 1. – spikkeleisje
∙ speculaasje 2., (verouderde woordvorm) – sunterekleisje ∙ speelkaarten – dûvelskærte
∙ speelplaats – speulplæs
∙ spelen, (ww.) – speule
∙ spijbelen, (ww.) – spêbele
∙ spijker – spikker
∙ spijt – spêt
∙ spinazie 1. – spenæzie
∙ spinazie 2., (verouderde woordvorm) – spannæzie
∙ spitsdolfijn – ille
∙ sproet, (verouderde woordvorm) – sproot
∙ spruiten – sprûte
∙ spugen, (ww.) zie ook ‘braken’ en ‘overgeven’ – spouge
∙ staaf – stæf
∙ staak – stæk
∙ staal – stæl
∙ staan, (ww.) – stæn
∙ staart – stært
∙ staat, (zn.) – stæt
∙ staken, (ww.) – stæke
∙ staking – stæking
∙ stamppot – stampsel
∙ stapel – stæpel
∙ stapelen, (ww.) – stæpele
∙ stapelgek – stæpelgek
∙ staren 1., (ww.) – stære
∙ staren 2., (ww.) – star-ôge
∙ staren, (ww.) – stære
∙ steen – stien
∙ steiger – stêger
∙ steil – stêl
∙ stelen 1., (ww.) – gappe
∙ stelen 2., (ww.) – jatte
∙ ster – star
∙ sterk – starrek
∙ sterveling – sturreveling
∙ steunen, (ww., in de zin van ‘kreunen’) – steene
∙ stijf – stêf
∙ stijfsel – stêfsel
∙ stijven, (ww.) – stêve
∙ stoeien, (ww.) – rollebolle
∙ stofdoek – stofdook
∙ stoffer en blik – varreke (n) -en-blik
∙ stofzuiger – stofzûger (t)
∙ stond, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) – sting, ik -, jij -, ‘ij –
∙ stonden, wij -, jullie -, zij – (ww., ovt.) – stinge, me -, wij -, jûlie -, zûlie – ∙ stoof – stôf
∙ stoomtrawler – stômfiets
∙ stoot – stôt
∙ stopnaald – stopnæld
∙ stopverf – stopvurref
∙ storm – sturrem
∙ storm schev.naam – sturm
∙ stormen, (ww.) – sturreme
∙ stoten, (ww.) – stôte
∙ straal – stræl
∙ straal water, een – – ’n stræle wæter
∙ straat – stræt
∙ straatje – streitje
∙ straks – strakkies
∙ strand – strang
∙ strijken, (ww.) – strikke
∙ strijkijzer – strikbout
∙ strijkplank – strikplank
∙ strooien, (ww.) – strôie
∙ strooisel – strôisel
∙ stroom, zie ook ‘electriciteit 2.’ – strôm
∙ stroop – strôp
∙ stroperig – strôpereg
∙ struikelen, (ww.) – strukkele
∙ stuip (je) – stûp, (stuipje)
∙ stuit (je) – stût, (stuitje)
∙ stuiven, (ww.) – stûve
∙ stuiver – stûver
∙ stuk, (zn.), zie ook ‘boterham 2.’ – stik
∙ sturen, (ww.) – stiere
∙ stuurboord – stierboord
∙ stuurhuis (op een schip) – brug
∙ stuurman – stierman
∙ stuurman – stuurman
∙ sudderen, (ww.) – seutere
∙ sufferd – onwês
∙ suiker – sukker
∙ suikerbeest – sukkerbêst
∙ suikerpot – sukkerpot
∙ sussen, (ww.) – sussedeere
∙ taak – tæk
∙ taal – tæl
∙ taan – tæn
∙ taanput – tænpet
∙ taart – tært
∙ tachtig – tache (n) teg
∙ tafel – tæfel
∙ tafelkleed – tæfelklêd
∙ tanen, – van netten. (ww.) – tæne
∙ tante 1., (verouderde woordvorm) – meuje ∙ tante 2., (verouderde woordvorm) – meutje ∙ tapijt – vloerklêd
∙ teen – tên
∙ tegelijkertijd – tegelik
∙ tegen – teuge
∙ tegenaan – teugenan
∙ tegendraads – teugedræs
∙ tegenhouden, (ww.) – teuge’ouwe
∙ tegenin – teugenin
∙ tegenkomen, (ww.) – teugekomme
∙ tegenop – teugenop
∙ tegenover – teugenover
∙ tegenspreken, (ww.) – teugespreeke
∙ tegenstribbelen, (ww.) – teugespartele
∙ tegenvallen, (ww.) – teugevalle
∙ tegenvaller – teugevallert
∙ tegenwerken, (ww.) – teugewerreke
∙ tegenwerking – teugewerreking
∙ tegenwind – teugewind
∙ tegenwoordig – teugeswoordeg
∙ tegoed, – houden – tegoes, – ‘ouwe
∙ teil – têl
∙ tekeergaan, (ww.) – tekêrgæn
∙ terechtkomen, (ww.) – verdæikkki
∙ terug 1. – berom
∙ terug 2. – brom
∙ Terugkijker (fietsspiegel) – Bromkikker
∙ terugkomen, (ww.) – bromkomme
∙ thuis – in ‘ ûs
∙ tijd – têd
∙ tijdelijk – tijelek
∙ tijger – têger
∙ toen – toe
∙ toestaan, (ww.) – toestæn
∙ toezicht – sibbediksie
∙ ton (netje) – kantje
∙ touw, tros – rêp
∙ touwtje – bendel
∙ traag – træg
∙ traan – træn
∙ trein – trên
∙ treiteren 1., (ww.) – judasse
∙ treiteren 2., (ww.) – neegere
∙ treuzelaar – teut
∙ treuzelen, (ww.) – teute
∙ trots 1., zie ook ‘verwaandheid’ – grôzeg’êd
∙ trots 2, , – zijn, (in positieve zin) – grôs weeze
∙ tuigen, (ww.) – tûge
∙ tuin (tje) – tûn, (tuintje)
∙ tuit (je) – tût, (tuitje)
∙ tuiten, (ww.) – tûte
∙ twee – twie
∙ twijfelen, (ww.) – twêfele
∙ uitbakken, (ww.) – ûtbakke
∙ uitblazen, (ww.) – ûtblæze
∙ uitdelen, (ww.) – ûtdêle
∙ uitgaan, (ww.) – ûtgæn
∙ uitglijden, (ww.) – ûtglêze
∙ uithalen, (iets ondeugends doen), (ww.) – ûtvreete ∙ uitkijken 1., (ww.) – ûtkikke
∙ uitkijken 2., naar iets -, (ww.) – spinze
∙ uitkleden 1., (ww.) – ûtklêje
∙ uitkleden 2., (ww.) – ûtklên
∙ uitkomst – ûtkomst
∙ uitrazen, (ww.) – ûttûle
∙ uitrusten van logger voor de haringteelt – toesteke ∙ uitslaan, (ww.) – ûtslæn
∙ uitslag, (aandoening) – ûtslag
∙ uitspoken, (ww.) – ûtspooke
∙ uitstel – ûtstel
∙ uitvaren, (ww.) – ûtvære
∙ uitwijken, (ww.) – ûtwijke
∙ uitzoeken, (ww.) – ûtzooke
∙ urineren 1., (ww.) – sasse
∙ urineren 2., (ww.) (plat) – pisse
∙ urineren 3., (ww.) (zeer plat) ∙ vaak – væk
∙ vaart – vært
∙ vaas – væs
∙ vaasje – veisje
∙ vanaf – vanof
∙ vandaan – vandæn
∙ vandaar 1. – vandær
∙ vandaar 2. – dær vandæn ∙ vanwaar – wær vandæn
– zêke
∙ vanzelf 1. – vanzelvers ∙ vanzelf 2. – van êges ∙ varen – stôme
∙ varen, (ww.) – være
∙ vasthouden, (ww.) – vast’ouwe ∙ veel – veul
∙ veel, – te – veuls, – te
∙ veelprater 1. – prætert
∙ veelprater 2. – klesmeier ∙ veertien – vêrtien
∙ veertig – fêrteg
∙ veilingmeester – ofslæger ∙ velerlei – veulderlei
∙ verbazen 1., (ww.) – verbæze
∙ verbazen 2., (ww.) – versteld stæn
∙ verbazing – verbæzing
∙ verborgen – verburrege
∙ verdagen, (ww.) – verdæge
∙ verder – vorder (s)
∙ verdorven – verdurreve
∙ verdragen 1., (ww.) – verdræge
∙ verdragen 2., (ww., verouderde woordvorm) – verdreege ∙ verdrinken, (plat) – verzûpe
∙ verdronken, op zee – zijn – ‘ ebleeve weeze
∙ verduidelijken, (ww.) – ûtlegge
∙ verduidelijking – klæreg’êd
∙ verduisteren, (ww.) – verdûstere
∙ verdwalen, (ww.) – verdwæle
∙ verf – vurref
∙ vergaan, (ww.) – vergæn
∙ vergapen, (ww.) – vergæpe
∙ vergaren, (ww.) – vergære
∙ vergelijken, (ww.) – vergelikke
∙ verhaal – ver’æl
∙ verhuiswagen – ver’ûswæge
∙ verhuizen, (ww.) – ver’ûze
∙ verjaardag – verjærdag
∙ verjagen, (ww.) – wegjæge
∙ verjaren, (ww.) – verjære
∙ verkeerd – verkêrd
∙ verkering hebben – vrije
∙ verkopen, (ww.) – verkôpe
∙ verlaat, – zijn – verlæt weeze
∙ verlaten, (ww.) – verlæte
∙ verleden 1., (tijdsbepaling) – verleeje
∙ verleden 2., (zn.) – verleeje
∙ verloop, – van het weer – verlôp
∙ verlopen – verlôpe
∙ vermaken, (ww.) – vermæke
∙ vernield 1. – verrinneweerd
∙ vernield 2. – rampeneerd
∙ vernield 3. – verrampeneerd
∙ vernielen 1., (ww.) – rinneweere
∙ vernielen 2., (ww.) – verrinneweere ∙ vernielen 3., (ww.) – rampeneere
∙ vernielen 4., (ww.) – verrampeneere ∙ veroordelen, (ww.) – veroordêle
∙ verraden, (ww.) – verraaie
∙ verrader – verraaier
∙ verrekijker 1. – kikkert
∙ verrekijker 2., (monoculair) – ienôger
∙ vers 1., (deel van een lied of bijbeltekst) – vors ∙ vers 2., (kwaliteitsoordeel) – vors
∙ verschijnen, (ww.) – verschêne ∙ verschonen, (ww.) – verschône ∙ versje – vorsje
∙ verslaan, (ww.) – verslæn
∙ verslagen, (ww., v.deelw.) – verslæge ∙ verslapen, (ww.) – verslæpe
∙ verslijten, (ww.) – verslête
∙ verspillen, (ww.) – verdoen
∙ verstaan, (ww.) – verstæn
∙ versteend – verstiend
∙ verstrooien, (ww.) – verstrôie
∙ vertrouwen, (zn.) – fedusie
∙ vervelend – ækeleg
∙ verveloos – vurrevelôs
∙ verven (ww.), zie ook ‘schilderen’ – vurreve ∙ verwaand – verwænd
∙ verwaandheid – grooseg’ êd
∙ verwaarlozen, (ww.) – verwærlôze
∙ verwachten, (ww.) – schatte
∙ verwijzen, (ww.) – verwêze
∙ verzadigd, (ww., v.deelw.) – verzædegd ∙ verzadigen, (ww.) – verzædege
∙ verzagen, (ww.) – verzæge
∙ verzamelen, (ww.) – verzæmele
∙ verzoek, (zn.) – verzook
∙ verzoeken, (ww.) – verzooke
∙ verzorgen, (ww.) – verzurrege
∙ verzorgingshuis – verpleeg’ ûs
∙ verzorgster – verzurregster
∙ verzuipen, (ww.) – verzûpe
∙ verzwijgen, (ww.) – verzwêge
∙ vies – vês
∙ viezerik 1. – stinkert
∙ viezerik 2. – vêzerik
∙ viezerik 3. – vûlek
∙ viezig – vêzeg
∙ viezigheid – kêm
∙ vijf – vêf
∙ vijftien – vêftien
∙ vijftig – fêfteg
∙ visafval – grom
∙ vishandel, (ambulante -) 1. – gosie
∙ vishandel, (ambulante -) 2. – negosie
∙ Vlaardingen – Vlæring
∙ Vlaardinger – Vlærdinger
∙ vlees – vlês
∙ vleien, (ww., in ongunstige zin) – slême
∙ vlo – vlôi
∙ vloek – vlook
∙ vloeken, (ww.) – vlooke
∙ vlooienbeet – vlôiepik
∙ Vlug afgemaakt werk – Roefel de goj werk
∙ volmaakt – volmækt
∙ voorproefje – proofje
∙ vorige – verlôpe
∙ vork – vurrek
∙ vraag, (zn.) – vræg
∙ vragen, (ww.) – vræge
∙ vriend 1. – kammeræd
∙ vriend 2., (in geval van relatie)
∙ vriendje – kammereitje
∙ vrijdags – frêdags
∙ vroeger – vreuger
∙ vroeger, zie ook ‘destijds’ – vrooger of vreuger
∙ vrouwenborst – pæs
∙ vrouwtje 1., een wat zielig – – zieltje, ‘ n –
∙ vrouwtje 2., een wat typisch – – ijkje, ‘ n –
∙ vuil 1. – vûl
∙ vuil 2., extreem – – verrot
∙ vuilnis – vulles
∙ vuilnisbak – vullesbak
∙ vuilnisman – vullesman
∙ vuist – vûst
∙ vuistslag 1. – opdomes
∙ vuistslag 2. – optæter
∙ vuurpot, (signalering bij bomschuitvisserij, oud) – stækelpot ∙ waar – wær
∙ waardevol, zie ook ‘mooi 2.’ en ‘prachtig’ – kostelek
∙ wachtjek – rûge monk
∙ wafel – wæfel
∙ wagen 1., (ww.) – wæge
∙ wagen 2., (zn.) – wæge
∙ Walvis – wallevis
∙ wandelen 1., (ww.) – kuiere
∙ wandelen 2., (ww.) – ’n lôpje mæke
∙ wandelingetje 1. – kuiertje
∙ wandelingetje 2. – lôpje
∙ wangen – kône
∙ wanneer – ‘ oenêr
∙ wapen – wæpen
∙ waren, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.)
∙ warhoofd – dwarrel
∙ wasem, zie ook ‘damp’ – wæsem
∙ water – wæter
∙ watertoren – wætertoren
∙ waterverf – wætervurref
– vrijer
– wazze, me -, wij -, jûlie -, zûlie –
∙ wc – plee
∙ weduwe – weedevrouw
∙ weeksalaris – weekgelletje
∙ weersverandering – verlôp
∙ weeshuis – wês’ûs
∙ weeskind – wêskind
∙ weg (zn.) – wegt
∙ weggelegd, (v.deelw.) – weg’eleege
∙ weggelegd, (ww., v.deelw.) – weg’eleege
∙ weggooien 1., (ww.) – weggôie
∙ weggooien 2., (ww.) – wegmikke
∙ weggooien 3., (ww.) – sêze
∙ wegraken 1., (ww.) – zookræke
∙ wegraken 2., (ww.) – kwêtræke
∙ wegwerken, (ww.) – looze
∙ wegwezen, (ww.), (als opdracht) – opneuke
∙ weifelen, (ww.) – wêfele
∙ weigeren 1., (ww.) – wêgere
∙ weigeren 2., iets -, (ww.) – verdije
∙ weinig 1. – wêneg
∙ weinig 2. – Schetert
∙ weinig 3. – ‘abbekrats
∙ weken, (ww.) – wêke
∙ welja – bejæt
∙ wellustig – grûzeg
∙ welnu – benon
∙ welopgevoed, zie ook ‘deugdzaam’ – ordentelek ∙ wereld – wurreld
∙ werelds, zie ook ‘wuft’ – wurrels
∙ werf – wurref
∙ wesp – weps
∙ wij, (pers.vnw., verouderde woordvorm) – me ∙ wijf – wêf
∙ wijs – wês
∙ wijzen 1., (ww.) – wêze
∙ wijzen 2., (zn., mv.) – wêze
∙ wind 1, . (krachtig) – bries
∙ wind 2., (minder krachtig) – koutje
∙ wind 3., (zacht) – klên koutje
∙ wind 4., (zacht) – briesje
∙ wind 5., (zacht) – vausje
∙ woensdag – weunsdag
∙ wonderlijk – wonderbærlek
∙ wonen, (ww.) – weune
∙ woning – weuning
∙ wrijven, (ww.) – vrêve
∙ wuft, zie ook ‘werelds’ – wurrels
∙ wuiven, (ww.) ∙ zaad – zæd ∙ zaag – zæg ∙ zaak – zæk ∙ zaal – zæl
∙ zadel – zædel
– wûve
∙ zagen, (ww.) – zæge
∙ zalig – zæleg
∙ zaligheid – zæleg’êd
∙ zaniken, (ww.) – zæneke ∙ zaterdag – zæterdag
∙ ze, (pers.vnw., mv.), zie ook ‘hen’, ‘hun’ en ‘zij’ – zûlie ∙ zee – zê
∙ zeekaak – kæk
∙ zeelui bezoeken na binnenkomst – verwelkomme
∙ zeem – zêm
∙ zeep – zêp
∙ zeer 1., (bw. van graad) – ‘ ar (t) stikke
∙ zeer 2., (in de zin van pijnlijk) – zêr
∙ zeereisje, kort – – priesje
∙ zei, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) – zee, ik -, jij -, ‘ ij –
∙ zeiden, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) ∙ zeil – zêl
∙ zeilen, (ww.) – zêle
∙ zeillogger – zêllogger
– zeeje, me -, wij -, jûlie -, zûlie –
∙ zes – zus
∙ zestien – zustien
∙ zestig – susteg
∙ zeuren 1., (ww.) – zæneke
∙ zeuren 2., (ww.) – kliere
∙ zeuren 3., (ww., plat) – ouwe’oere
∙ zeurpiet 1. – zænek
∙ zeurpiet 2. – klier
∙ zeurpiet 3., (plat) – ouwe’oer
∙ zeven – zeuve
∙ zeventien – zeuvetien
∙ zeventig – seuventeg
∙ zichzelf – z’n êge
∙ ziek zijn – mekeerende weeze
∙ zielepoot – toppert
∙ zien, (ww.) zie ook ‘kijken’ – kikke
∙ zij, (pers.vnw., mv.), zie ook ‘hen’, ‘hun’ en ‘ze’ – zûlie
∙ zijn 1., (aanw.vnw.) – zên
∙ zijn 2., (ww.) – benne
∙ zijn 3., wij -, jullie -, zij -, (ww., ott.) – benne, me -, wij -, jûlie -, zûlie –
∙ zijn 4., (ww., ott., verouderde woordvorm), zie ook ‘hebben’ – ‘ebbe, ik ‘eb, jij ‘eb, ‘ij ‘êt
∙ zijn 5., (ww., ott., verouderde woordvorm), zie ook ‘hebben’, wij -, jullie -, zij – – ‘ebbe, me -, wij -, jûlie -, zûlie –
∙ zilver – zullever
∙ Zit niet zo te kletsen – Eunderen
∙ zoek – zook
∙ zoeken, (ww.) – zooke
∙ zoekmaken, (ww.) – zookmæke
∙ zoekraken, (ww.) – zookræke
∙ zomer – zeumer
∙ zomers – seumers
∙ zondag 1., – zundag
∙ zondag 2., de in ere te houden – – de kosteleke zundag
∙ zondags – sundags
∙ zonde 1., – sunde ∙ zonde 2. – zunde
∙ zoon – zeun
∙ zorg 1 – meleur
∙ zorg 2. – zurreg
∙ zorgelijk – zurregelek
∙ zorgeloos – zonder zurrege
∙ zuid – zûd
∙ zuidelijk – zuielek
∙ zuiden, het – – zuie, ’t –
∙ zuidoost – zûd-ôst
∙ zuidoostelijk – zûd-ôstelek
∙ zuidoosten, het – – zûd-ôste, ‘ t –
∙ zuidwest – zûdwest
∙ zuidwestelijk – zûdwestelek
∙ zuidwesten, het – – zûdweste, ’t –
∙ zuidwester (hoofdbedekking) – zûdwester ∙ zuidwester (wind) – zûdwester
∙ zuigen (ww.) – zûge
∙ zuiger – zûger
∙ zuinig 1. – zûneg
∙ zuinig 2. – krentereg
∙ zuinig iemand – eepekreet
∙ zuinig, heel – – neetereg
∙ zuinigheid 1. – zûneg’êd
∙ zuinigheid 2. – krentereg’êd
∙ zuipen, (ww.) – zûpe
∙ zuiplap – zûpert
∙ zuiver – zûver
∙ zuurpruim – saggerên
∙ zwaan – zwæn
∙ zwaar 1. – zwær
∙ zwaar 2. – lôieg
∙ zwaar op de hand – zwæreg
∙ zwaard – zwaert
∙ zwaard – zwærd
∙ zwager 1. – zwæger
∙ zwager 2. (vertrouwelijk)
∙ zwijgen, (ww.) – zwêge
∙ zwoegen, (ww.) – ottere
12 opmerkingen
∙ Een inwoner die van buiten schevingen komt noemt men een sudetenscheveninger of wordt ook wel vreemde genoemd.
∙ Een ommekantje met butter en sukker = een boterham met boter en suiker
∙ Het Schevenings is een der Zuid-Hollandse dialecten. Het kent vooral sterke overeenkomsten met het Katwijks. In iets mindere mate treft men overeenkomsten aan met de Zuid-Hollandse kustplaatsenTer Heijde en Noordwijk. Relaties met het Fries of met het Engels of Skandinavisch zijn niet aangetoond en zijn bovendien weinig waarschijnlijk. De bij de Nederlandse dialecten geplaatste Overzichtskaart der Nederlandsche dialecten van Jac. van Ginneken is derhalve zeer betwistbaar, althans waar dit het Schevenings (en in dezelfde mate ook het Noordwijks, het Katwijks en het Terheijdens) betreft.
– zwæg
∙ Het is binnen het Scheveningse spraakgebruik opmerkelijk dat er een verwisseling plaatsvindt in het gebruik van de bijwoorden ‘bij’ en ‘met’. Zo zegt men: (B) ‘Ik gæt bij-je mee!’ ( / B) wanneer men bedoelt: ‘Ik ga met je mee!’ Daarnaast zegt men: (B) ‘Ik ‘eb met-te slæger ‘eweest!’ ( / B) wanneer wordt bedoeld: ‘Ik ben bij de slager geweest!’ Verder is opmerkelijk dat in het Scheveningse spraakgebruik het hulpwerkwoord ‘zijn’ in bepaalde gevallen wordt vervangen door het hulpwerkwoord ‘hebben’. Zie bijvoorbeeld in de voorgaande zin: (B) ‘Ik ‘eb met-te slæger ‘eweest!’ ( / B)
∙ In (B) De spreektaal van de Scheveningse kustbewoners ( / B) (2004) van Piet Spaans wordt uitgebreid op de Scheveningse woordenschat ingegaan, evenals op de relatie ervan met het Hollands zoals dit wordt beschreven in (B) Het Woordenboek der Nederlandsche Taal ( / B) (WNT) .
∙ Indien men bij bepaalde Scheveningse woorden het (B) Woordenboek der Nederlandsche Taal ( / B) opslaat dan treft men deze woorden – hetzij gelijk, hetzij vrijwel gelijk – daarin aan. Dit geeft aan dat het Schevenings duidelijk is gerelateerd aan het Hollands zoals dat enkele eeuwen geleden ook in dit landsdeel werd gesproken.
∙ Mijn moeder zei vroeger wel: ‘Doe je peppers ût.’ Wij begrepen: je ‘schoenen’.
N.B. Een door deze inzender vermoede relatie met ‘klompen’ die van peppelhout (populierenhout) worden / werden vervaardigd en een veronderstelling dat hieruit het woord ‘pepper’ zou zijn onstaan zijn niet houdbaar. Het WNT, Verdams Middelnederlandsch Handwoordenboek en het Katwijks woordenboek bieden evenmin daaromtrent enig houvast. Piet Spaans.
∙ Soms hanteerde men in de 18de en de 19de eeuw de plaatsnaam Schevelinge. Deze heeft geen historische onderbouwing. Het moet dan ook eerder worden gezien als een vorm van bellettrie. De oudste vorm van de plaatsnaam is terug te vinden in een 13de eeuws document van de Graven van Holland en Zeeland. Daar wordt gesproken van Sceveninghe.
∙ Storm of Sturm is ook een scheveningsenaam .
∙ een open brook droegen meue kee, s onder dr rokken met ut boeten . of kaken enz. n meue kee is een scheveningse in dracht .
∙ oma Storm en opa Vrolijk hadden n meisjes tweeling in hunner gezin .
∙ van Zanen is van de Sneavel in nederlands de snavel . maar van oma, s kant Jeapie Oosterbaan ook van de wallevis of de walvisvaarder. .
Dit woordenboek ‘Schevenings’ i






















